Ben ik mijn broeders hoeder ?

vendredi 5 février 2010
par  Alain Mattheeuws

« Ben ik mijn broeders hoeder ? » (Gn 4,9)

Dans la revue Tertio (27 janvier 2010) 13

‘Waar is uw broer ?’ vraagt de Heer aan Kaïn die net Abel heeft vermoord. Hij antwoordt : ‘Ik weet het niet. Ben ik dan de hoeder van mijn broeder ?’ (Gn 4,9). Dit antwoord klinkt als een alibi of een verdediging en toont hoeveel de broederlijke relaties structurerend zijn in ons menszijn. Zouden wij niet altijd « positief » moeten antwoorden en ons verhouden als broeders ?
Geen van ons kan tot leven komen, leven, of overleven zonder hulp van medemensen, en zonder in een broederlijke gemeenschap vol zorg en behoedzaamheid te zijn. We zijn niet almachtig en zijn afhankelijk van elkaar.
Deze kwetsbaarheid is een « kracht » : het is een teken dat tot ons gericht is om een relatie aan te gaan met de andere, om het goede te doen en om steeds meer lief te hebben. Die waarheid voelen wij meestal dieper aan wanneer wij tegenover de kleine, de zieke of de lijdende staan. Aan oorsprong en einde van elk menselijk leven worden wij hiermee geconfronteerd.

Diegenen die wij ontmoeten in ziekenhuis of thuis, zelfs verzwakt in geweten of in levenslust, zijn altijd in evenwaardig met ons verbonden. Onze broederlijke gemeenschap is een feit aangezien wij aan dezelfde mensheid toebehoren. Deze gemeenschap is een ethische oproep vooral wanneer een zieke, in zijn zwakheid en zijn vraag om hulp, zich aan ons toevertrouwd. Ondanks de schijn die het menselijk lichaam neemt door de ziekte, degene die beroep op ons doet vraagt ons om voor hem te zorgen omdat wij van hetzelfde vlees zijn en voor de gelovigen, zijn wij kinderen van dezelfde God en Vader. (1Jn 3,1) Hij die lijdt stelt, ten minsten impliciet, een “vertrouwenscontract” op tussen hem en degene tot wie hij zich richt en aan wie hij zich toevertrouwd. Een zieke is een persoon die zich op een intieme manier overlevert en toevertrouwt aan anderen : familie, verzorgers, artsen, priesters. De zorgrelatie is altijd zowel medisch, familiaal, broederlijk... Het is altijd zowel moreel als spiritueel.

We mogen nooit vergeten dat er sprake is van een broer of zus in ons menszijn, zelfs al zijn er moeilijkheden van ziekte en behandelingen, variaties in het fysiek of moreel lijden, complexe beslissingen en technieken en zelfs al nadert de dood. De waardigheid van een persoon is geen oppervlakkig idee of eigenschap die verdwijnt naar onze keuze, onze gevoelens, of zelfs als gevolg van vooruitgang in de biomedische technologie of wijzigingen in de wetten van de samenleving. Ieder mens is een “heilige geschiedenis”. De mens is en blijft, vanaf de oorsprong tot het einde van zijn leven, gemaakt naar het beeld en gelijkenis van God (Gn 1,27). Ieder van ons is een wonder in de ogen van de Schepper (Ps 139, 14) en blijft deze uniek en persoonlijk wonder op het pad naar het eeuwig leven en vooral tijdens al de stappen naar het “Pasen”.

“Zorgen” is deze waarheid van de relatie van persoon tot persoon in gedachten houden tot het einde. We moeten aldus onze blik op de andere scherpen, en steeds meer in de diepte van dit mysterie komen dat ons te boven gaat. Het zieke, lijdende, stervende lichaam is dat van een broeder in menszijn. Dat lichaam wordt door een persoonlijk mysterie bewoond die verenigt wat lijkt onomkeerbaar verloren of beschadigd te zijn. De geest gaat heen, het lichaam is gescheurd, het lijkt niet meer te weerstaan en te werken als voorheen, maar de persoon behoudt haar grootheid en schoonheid voor hen die trachten te zien en te begrijpen wat er voor hen gebeurt.

Iedere mens heeft een bondgenootschap met de Heer, of hij Hem al goed kent of nog niet. God zorgt voor ieder van ons omdat Hij onze Schepper en Redder is. Hij heeft met ons een bondgenootschap vastgelegd al sinds onze conceptie. Hij verwacht ons in zijn huis om voor eeuwig in zijn liefde te leven. Dit grote verlangen van God is het goede nieuws die de christenen hebben ontvangen en ze getuigen ervan aan alle mensen. “Ja” zeggen tegen God is uiteindelijk je wens uit te drukken tot God toe te treden. Alle daden van ons leven brengen ons naar deze ontmoeting. Het sterven is ook een daad waar de mens zich kan verenigen met Diegene die hij verwacht. De omstandigheden van de dood kunnen variëren. Daar zijn we geen meester van. Niemand, uitgezonderd Christus, heeft echt de dood ervaren om het ons te vertellen. Maar we merken hoeveel de dood een doorgang is. Is de dood niet een kruispunt waar we het essentiële van ons leven kunnen zoeken en vinden : een aanwezigheid ? Hoe, op dat ogenblik, een daad van overgave stellen ? Hoe kan men iemand begeleiden die, op een bepaald moment in zijn geschiedenis en de onze, heen gaat ? Het is duidelijk : de zorg voor een ander krijgt een beslissende en onmisbare betekenis wanneer de dood optreedt. We zijn allen geroepen om, van ver of dichtbij, een hoeder te zijn van een mysterie : een overgave en een daad van vertrouwen in Gods armen. Alle zorgen en medische behandelingen die deze doorgang begeleiden moeten in deze toon en met teder respect getekend zijn.

De hoeder van zijn broeder zijn, is blijven “ waken” wanneer de duisternis op het lichaam, de geest of zelfs soms in het hart valt. De waker is diegene die op de dageraad wacht, op de eerste zonnestraal die de aarde verlicht. (Lc 1, 78)
De waker wacht met geloof. Hij bidt tijdens de nacht maar wacht op de dag. Vaak zijn we geroepen om op te blijven om onze broeder die terug naar God gaat te begeleiden. Als wij waken is dat om een waarde te benadrukken of soms te beschermen : het persoonlijk gezicht van de lijdende of de stervende. Tegenover de vele tegenspraak rond de grenzen van de dood en de acties hieromtrent (euthanasie, gesteunde zelfmoord, waardige dood) past het waakzaam te zijn en de persoonlijke problemen van de gebaren en de woorden die de stervende begeleiden naar God aan te wijzen. Natuurlijk letten we op de machines, op het lichaam van de zieke en op de medicijnen die genomen worden. Maar we moeten ook waken over zijn geschiedenis, over zijn relaties, over de gevoelens die in hem opkomen. Wij denken vooral aan de angsten, de spirituele strijd die opkomen bij ziekte of op de laatste ogenblikken. Zorgen is het goede en het grootse in de zieke behouden en beschermen. Soms zien wij het niet zo goed meer met onze ogen van vlees. Soms ziet de zieke het zelf ook niet meer en vraagt dan een niet juiste bevrijding. Op je broeder hoeden is hem behoeden van ieder gebaar die hem niet ten diepste respecteert. Het menselijk wezen behoort alleen tot God. Wij mogen er geen eigendom van maken. Wij mogen niet beslissen over het uur van de dood nog het vervroegen. Wij moeten met hem gaan, de paaskaars brandend : getuigenis dat Christus iedere dood heeft overwonnen en dat Hij zorgt voor de stervende die tot Hem komt.

Alain Mattheeuws s.J.
Prof. Moraaltheologie en Sacramentologie
Theologische Faculteit ven de Sociëteit van Jezus IET (Brussel)